Terug naar 1 Kronieken 26
VSV
Statenvertaling

1 Kronieken 26:25

En zijn broeders door Eliëzer: zijn zoon Rehabia, en zijn zoon Jesaja, en zijn zoon Joram, en zijn zoon Zichri, en zijn zoon Selomith.

Kruisverwijzingen

Context

1 Kronieken 26 — omringende verzen

20

En van de Levieten was Ahija aangesteld over de schatten van het huis van God, en over de schatten van de gewijde gaven.

21

Aangaande de zonen van Laädan: de zonen van de Gersjoniet Laädan, hoofdvaders, ja van Laädan de Gersjoniet, was Jehiël.

22

De zonen van Jehiël: Zetham en zijn broeder Joël, die aangesteld waren over de schatten van het huis van de HEER.

23

Van de Amramieten, de Jizharieten, de Hebronieten en de Uzziëlieten:

24

En Sebuel, de zoon van Gersom, de zoon van Mozes, was opziener over de schatten.

25

En zijn broeders door Eliëzer: zijn zoon Rehabia, en zijn zoon Jesaja, en zijn zoon Joram, en zijn zoon Zichri, en zijn zoon Selomith.

26

Deze Selomith en zijn broeders waren aangesteld over alle schatten van de gewijde gaven, die koning David, en de hoofdvaders, de oversten over duizenden en honderden, en de legeroversten, geheiligd hadden.

27

Uit de buit gewonnen in veldslagen hadden zij die gewijd ter onderhoud van het huis van de HEER.

28

En alles wat Samuël de ziener, en Saul de zoon van Kis, en Abner de zoon van Ner, en Joab de zoon van Zeruja, geheiligd hadden; en al wat iemand geheiligd had, dat was onder het beheer van Selomith en zijn broeders.

29

Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen aangesteld over de uitwendige zaken in Israël, als opzieners en rechters.

30

En van de Hebronieten waren Hasabia en zijn broeders, dappere mannen, duizend zevenhonderd in getal, aangesteld als opzieners in Israël aan deze zijde van de Jordaan, westwaarts, voor al het werk van de HEER en ten dienste van de koning.