1 Kronieken 4:14
“En Meonothai verwekte Ofra; en Seraja verwekte Joab, de vader van het dal Charasim, want zij waren handwerkslieden.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 4 — omringende verzen
En Jabez was achtenswaardiger dan zijn broeders; en zijn moeder noemde zijn naam Jabez, zeggende: Omdat ik hem met smart gebaard heb.
10En Jabez riep de God van Israël aan en zeide: O, dat U mij rijkelijk zoudt zegenen en mijn gebied vergroten, en dat Uw hand met mij zou zijn, en dat U mij van het kwaad zou bewaren, zodat het mij niet bedroeft! En God gaf hem wat hij verzocht had.
11En Kelub, de broeder van Sua, verwekte Mehir, die de vader van Eston was.
12En Eston verwekte Bet-Rafa, en Paseah, en Tehinna, de vader van Ir-Nahas. Dit zijn de mannen van Recha.
13En de zonen van Kenaz: Otniël en Seraja; en de zonen van Otniël: Hatat.
En Meonothai verwekte Ofra; en Seraja verwekte Joab, de vader van het dal Charasim, want zij waren handwerkslieden.
En de zonen van Kaleb, de zoon van Jefunne: Iru, Ela en Naam; en de zonen van Ela, namelijk Kenaz.
16En de zonen van Jehalleël: Zif, en Zifa, Tirja en Asareël.
17En de zonen van Ezra waren: Jeter, en Mered, en Efer, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sammai, en Jisbah, de vader van Estemoa.
18En zijn vrouw Jehudija baarde Jered, de vader van Gedor, en Heber, de vader van Socho, en Jekuthiël, de vader van Zanoah. En dit zijn de zonen van Bithia, de dochter van Farao, die Mered genomen had.
19En de zonen van zijn vrouw Hodija, de zuster van Naham, de vader van Keïla, de Garmiet, en Estemoa, de Maächathiet.