1 Kronieken 5:8
“en Bela, de zoon van Azaz, de zoon van Sema, de zoon van Joël, die in Aroër woonde, tot aan Nebo en Baäl-Meon toe.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 5 — omringende verzen
De zonen, zeg ik, van Ruben, de eerstgeborene van Israël, waren: Hanoch en Pallu, Hezron en Karmi.
4De zonen van Joël: Semaja zijn zoon, Gog zijn zoon, Simeï zijn zoon,
5Micha, zijn zoon; Reaja, zijn zoon; Baäl, zijn zoon;
6Beëra, zijn zoon, die Tiglat-Pilneser, de koning van Assyrië, in ballingschap voerde. Hij was een vorst van de Rubenieten.
7En zijn broeders naar hun geslachten, toen de geslachtsregisters van hun generaties werden opgetekend, waren de hoofden: Jeïël en Zacharia,
en Bela, de zoon van Azaz, de zoon van Sema, de zoon van Joël, die in Aroër woonde, tot aan Nebo en Baäl-Meon toe.
En naar het oosten toe woonde hij tot aan de ingang van de woestijn, vanaf de rivier de Eufraat, want hun vee was vermenigvuldigd in het land Gilead.
10En in de dagen van Saul voerden zij oorlog met de Hagarieten, die door hun hand vielen, zodat zij in hun tenten woonden, in heel het oostelijk gebied van Gilead.
11En de zonen van Gad woonden tegenover hen, in het land Basan, tot aan Salcha toe:
12Joël, het hoofd, en Safam, de tweede, en Jaänai en Safat in Basan.
13En hun broeders naar het huis van hun vaderen waren: Michaël en Mesullam en Seba en Jorai en Jachan en Zia en Heber: zeven.