1 Kronieken 6:34
“de zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van Eliël, de zoon van Toah,”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 6 — omringende verzen
De zonen van Merari: Mahli; Libni, zijn zoon; Simeï, zijn zoon; Uzza, zijn zoon;
30Simea, zijn zoon; Haggia, zijn zoon; Asaja, zijn zoon.
31En dit zijn zij die David aanstelde over de dienst van de muziek in het huis des HEREN, nadat de ark rust had gekregen.
32En zij dienden voor de woning van de tent der samenkomst met zang, totdat Salomo het huis des HEREN in Jeruzalem gebouwd had; en zij richtten zich naar hun ambt overeenkomstig hun ordening.
33En dit zijn zij die met hun zonen de dienst waarnamen. Van de zonen van de Kahathieten: Heman, de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël,
de zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van Eliël, de zoon van Toah,
de zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Mahath, de zoon van Amasai,
36de zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Zefanja,
37de zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach,
38de zoon van Jizhar, de zoon van Kahath, de zoon van Levi, de zoon van Israël.
39En zijn broeder Asaf, die aan zijn rechterhand stond, namelijk Asaf, de zoon van Berechja, de zoon van Simea,