1 Kronieken 7:11
“Al dezen waren de zonen van Jediael, naar de hoofden hunner vaderen, dappere mannen van kracht, zeventienduizend en tweehonderd strijdbare mannen, geschikt om ten oorlog en ten strijde uit te trekken.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 7 — omringende verzen
De zonen van Benjamin: Bela en Becher en Jediael, drie.
7En de zonen van Bela: Ezbon en Uzzi en Uzziël en Jerimoth en Iri, vijf; hoofden van het huis hunner vaderen, dappere mannen van kracht; en zij werden ingeschreven in hun geslachtsregisters: twee en twintigduizend en vier en dertig.
8En de zonen van Becher: Zemira en Joas en Eliëzer en Elioenai en Omri en Jerimoth en Abia en Anathoth en Alameth. Al dezen zijn de zonen van Becher.
9En hun getal, naar hun geslachtsregister, naar hun geslachten, de hoofden van het huis hunner vaderen, dappere mannen van kracht, was twintigduizend en tweehonderd.
10De zonen van Jediael nu waren: Bilhan; en de zonen van Bilhan: Jeus en Benjamin en Ehud en Chenaäna en Zethan en Tharsis en Ahisahar.
Al dezen waren de zonen van Jediael, naar de hoofden hunner vaderen, dappere mannen van kracht, zeventienduizend en tweehonderd strijdbare mannen, geschikt om ten oorlog en ten strijde uit te trekken.
Ook Suppim en Huppim, de kinderen van Ir, en Husim, de zonen van Aher.
13De zonen van Naftali: Jahziël en Guni en Jezer en Sallum, de zonen van Bilha.
14De zonen van Manasse: Asriël, die zij baarde; maar zijn bijvrouw, de Aramese, baarde Machir, de vader van Gilead;
15En Machir nam tot vrouw de zuster van Huppim en Suppim, wier naam was Maächa; en de naam van de tweede was Zelafead; en Zelafead had dochters.
16En Maächa, de vrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres; en de naam van zijn broeder was Seres; en zijn zonen waren Ulam en Rakem.