1 Kronieken 9:14
“En van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, van de zonen van Merari;”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 9 — omringende verzen
En hun broederen, naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig. Al deze mannen waren hoofden der vaderen in het huis van hun vaderen.
10En van de priesters: Jedaja, en Jojarib, en Jachin,
11En Azarja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, de opzichter van het huis Gods;
12En Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia, en Maäsai, de zoon van Adiël, de zoon van Jahzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemith, de zoon van Immer;
13En hun broederen, hoofden van het huis hunner vaderen, duizend zevenhonderd en zestig; zeer bekwame mannen voor de dienst van het huis Gods.
En van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, van de zonen van Merari;
En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zichri, de zoon van Asaf;
16En Obadja, de zoon van Semaja, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun, en Berechja, de zoon van Asa, de zoon van Elkana, die woonde in de dorpen der Netofatieten.
17En de poortwachters waren: Sallum, en Akkub, en Talmon, en Ahiman, en hun broederen; Sallum was het hoofd;
18Zij die tot nu toe de wacht hielden bij de koningspoort aan de oostzijde; zij waren poortwachters in de afdelingen van de kinderen van Levi.
19En Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, en zijn broederen, van het huis zijns vaders, de Korachieten, waren aangesteld over het dienstwerk als bewakers der poorten van de tabernakel; en hun vaderen waren over het leger des HEREN aangesteld als bewakers van de ingang.