1 Kronieken 9:10
“En van de priesters: Jedaja, en Jojarib, en Jachin,”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 9 — omringende verzen
En van de Silonieten: Asaja, de eerstgeborene, en zijn zonen.
6En van de zonen van Zerach: Jeüel, en hun broederen, zeshonderd en negentig.
7En van de zonen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodavja, de zoon van Hasenua,
8En Ibnejas, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, de zoon van Michri, en Mesullam, de zoon van Sefatja, de zoon van Reüel, de zoon van Ibnja;
9En hun broederen, naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig. Al deze mannen waren hoofden der vaderen in het huis van hun vaderen.
En van de priesters: Jedaja, en Jojarib, en Jachin,
En Azarja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, de opzichter van het huis Gods;
12En Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia, en Maäsai, de zoon van Adiël, de zoon van Jahzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemith, de zoon van Immer;
13En hun broederen, hoofden van het huis hunner vaderen, duizend zevenhonderd en zestig; zeer bekwame mannen voor de dienst van het huis Gods.
14En van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, van de zonen van Merari;
15En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zichri, de zoon van Asaf;