1 Kronieken 9:8
“En Ibnejas, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, de zoon van Michri, en Mesullam, de zoon van Sefatja, de zoon van Reüel, de zoon van Ibnja;”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 9 — omringende verzen
En in Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse;
4Uthai, de zoon van Ammihood, de zoon van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani, van de kinderen van Perez, de zoon van Juda.
5En van de Silonieten: Asaja, de eerstgeborene, en zijn zonen.
6En van de zonen van Zerach: Jeüel, en hun broederen, zeshonderd en negentig.
7En van de zonen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodavja, de zoon van Hasenua,
En Ibnejas, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, de zoon van Michri, en Mesullam, de zoon van Sefatja, de zoon van Reüel, de zoon van Ibnja;
En hun broederen, naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig. Al deze mannen waren hoofden der vaderen in het huis van hun vaderen.
10En van de priesters: Jedaja, en Jojarib, en Jachin,
11En Azarja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, de opzichter van het huis Gods;
12En Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia, en Maäsai, de zoon van Adiël, de zoon van Jahzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemith, de zoon van Immer;
13En hun broederen, hoofden van het huis hunner vaderen, duizend zevenhonderd en zestig; zeer bekwame mannen voor de dienst van het huis Gods.