1 Kronieken 9:36
“En zijn eerstgeboren zoon was Abdon, dan Zur, en Kis, en Baäl, en Ner, en Nadab.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 9 — omringende verzen
En Mattitja, een van de Levieten, de eerstgeborene van Sallum, de Korachiet, had het vaste ambt over de dingen die in de pannen bereid werden.
32En anderen van hun broederen, van de zonen der Kehatieten, waren aangesteld over de toonbroden, om die elke sabbat gereed te maken.
33En dit zijn de zangers, hoofden der vaderen onder de Levieten, die in de kamers verbleven en vrijgesteld waren; want zij waren dag en nacht met dat werk bezig.
34Deze hoofdvaders van de Levieten waren het hoofd in hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.
35En in Gibeon woonde de vader van Gibeon, Jeïel, en de naam van zijn vrouw was Maächa;
En zijn eerstgeboren zoon was Abdon, dan Zur, en Kis, en Baäl, en Ner, en Nadab.
En Gedor, en Ahio, en Zacharia, en Mikloth.
38En Mikloth verwekte Simeam. En ook dezen woonden met hun broederen te Jeruzalem, tegenover hun broederen.
39En Ner verwekte Kis; en Kis verwekte Saul; en Saul verwekte Jonathan, en Malchisua, en Abinadab, en Esbaäl.
40En de zoon van Jonathan was Merib-Baäl; en Merib-Baäl verwekte Micha.
41En de zonen van Micha waren: Pithon, en Melech, en Tahrea, en Ahaz.