1 Samuël 10:20
“Toen Samuël al de stammen van Israël had doen naderen, werd de stam Benjamin aangewezen.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 10 — omringende verzen
En Sauls oom zei: Vertel mij toch wat Samuël tot u gezegd heeft.
16En Saul zei tot zijn oom: Hij heeft ons ronduit gezegd dat de ezelinnen gevonden waren. Maar van de zaak van het koningschap, waarvan Samuël gesproken had, vertelde hij hem niet.
17En Samuël riep het volk samen tot de HEER te Mizpa,
18En zei tot de kinderen Israëls: Zo zegt de HEER, de God van Israël: Ik heb Israël uit Egypte opgebracht, en heb u verlost uit de hand van de Egyptenaren, en uit de hand van al de koninkrijken die u verdrukten.
19Maar gij hebt heden uw God verworpen, Die u Zelf uit al uw tegenspoeden en uw verdrukkingen verlost heeft; en gij hebt tot Hem gezegd: Neen, maar stel een koning over ons. Nu dan, stel u voor het aangezicht des HEREN, naar uw stammen en naar uw duizendtallen.
Toen Samuël al de stammen van Israël had doen naderen, werd de stam Benjamin aangewezen.
Toen hij de stam Benjamin had doen naderen naar hun geslachten, werd het geslacht van Matri aangewezen, en Saul, de zoon van Kis, werd aangewezen; maar toen zij hem zochten, kon hij niet gevonden worden.
22Daarom vroegen zij de HEER verder: Zal de man nog hierheen komen? En de HEER antwoordde: Zie, hij heeft zich tussen de bagage verborgen.
23En zij liepen en haalden hem vandaar; en toen hij te midden van het volk stond, was hij hoger dan al het volk, van zijn schouders en opwaarts.
24En Samuël zei tot het ganse volk: Ziet gij hem die de HEER verkoren heeft, dat er niemand is gelijk hem onder het ganse volk? En het ganse volk juichte, en zei: Leve de koning!
25Toen verklaarde Samuël het volk de wijze van het koningschap, en schreef het in een boek, en legde het neer voor het aangezicht des HEREN. En Samuël liet het ganse volk gaan, ieder naar zijn huis.