1 Samuël 14:11
“En zij beiden vertoonden zich aan de bezetting der Filistijnen. En de Filistijnen zeiden: Zie, de Hebreeën komen uit de holen te voorschijn waarin zij zich verborgen hadden.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 14 — omringende verzen
En Jonathan zeide tot de jongeman die zijn wapenrusting droeg: Kom, laten wij overgaan naar de bezetting van deze onbesnedenen; misschien zal de HEER voor ons werken, want voor de HEER is er geen belemmering om te verlossen door velen of door weinigen.
7En zijn wapendrager zeide tot hem: Doe alles wat in uw hart is; ga uw gang; zie, ik ben met u naar uw hart.
8Toen zeide Jonathan: Zie, wij zullen overgaan naar deze mannen en ons aan hen vertonen.
9Indien zij aldus tot ons zeggen: Wacht totdat wij bij u komen, dan zullen wij op onze plaats blijven staan en niet tot hen opgaan.
10Maar indien zij aldus zeggen: Komt op tot ons, dan zullen wij opgaan, want de HEER heeft hen in onze hand gegeven; en dit zal ons tot een teken zijn.
En zij beiden vertoonden zich aan de bezetting der Filistijnen. En de Filistijnen zeiden: Zie, de Hebreeën komen uit de holen te voorschijn waarin zij zich verborgen hadden.
En de mannen van de bezetting antwoordden Jonathan en zijn wapendrager, en zeiden: Komt op tot ons, dan zullen wij u iets laten zien. Toen zeide Jonathan tot zijn wapendrager: Klim achter mij op, want de HEER heeft hen in de hand van Israël gegeven.
13En Jonathan klom op zijn handen en op zijn voeten naar boven, en zijn wapendrager achter hem; en zij vielen voor Jonathan neer, en zijn wapendrager doodde achter hem.
14En die eerste slag, die Jonathan en zijn wapendrager sloegen, was ongeveer twintig mannen, op ongeveer een halve akker lands, die een juk ossen zou kunnen ploegen.
15En er was beving in het leger, in het veld en onder heel het volk; de bezetting en de plunderaars beefden ook, en de aarde sidderde; zo werd het een zeer grote beving.
16En de wachters van Saul in Gibea van Benjamin zagen toe; en zie, de menigte smolt weg en ging heen, elkaar verslaan.