1 Samuël 14:16
“En de wachters van Saul in Gibea van Benjamin zagen toe; en zie, de menigte smolt weg en ging heen, elkaar verslaan.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 14 — omringende verzen
En zij beiden vertoonden zich aan de bezetting der Filistijnen. En de Filistijnen zeiden: Zie, de Hebreeën komen uit de holen te voorschijn waarin zij zich verborgen hadden.
12En de mannen van de bezetting antwoordden Jonathan en zijn wapendrager, en zeiden: Komt op tot ons, dan zullen wij u iets laten zien. Toen zeide Jonathan tot zijn wapendrager: Klim achter mij op, want de HEER heeft hen in de hand van Israël gegeven.
13En Jonathan klom op zijn handen en op zijn voeten naar boven, en zijn wapendrager achter hem; en zij vielen voor Jonathan neer, en zijn wapendrager doodde achter hem.
14En die eerste slag, die Jonathan en zijn wapendrager sloegen, was ongeveer twintig mannen, op ongeveer een halve akker lands, die een juk ossen zou kunnen ploegen.
15En er was beving in het leger, in het veld en onder heel het volk; de bezetting en de plunderaars beefden ook, en de aarde sidderde; zo werd het een zeer grote beving.
En de wachters van Saul in Gibea van Benjamin zagen toe; en zie, de menigte smolt weg en ging heen, elkaar verslaan.
Toen zeide Saul tot het volk dat bij hem was: Tel nu en zie wie er van ons weggegaan is. En toen zij geteld hadden, zie, daar waren Jonathan en zijn wapendrager er niet.
18En Saul zeide tot Ahia: Breng de ark van God hier. Want de ark van God was in die tijd bij de kinderen Israëls.
19En het geschiedde, terwijl Saul tot de priester sprak, dat het tumult in het leger der Filistijnen toenam en sterker werd; en Saul zeide tot de priester: Trek uw hand terug.
20En Saul en al het volk dat bij hem was, verzamelden zich, en zij kwamen tot de strijd; en zie, ieders zwaard was tegen zijn metgezel, en er was een zeer grote verwarring.
21Ook de Hebreeën die tevoren bij de Filistijnen waren geweest, die met hen in het leger opgetrokken waren uit de omliggende streken, keerden zich eveneens om bij de Israëlieten te zijn die bij Saul en Jonathan waren.