1 Samuël 15:30
“Toen zeide hij: Ik heb gezondigd; maar eer mij toch nu voor de ogen van de oudsten van mijn volk en voor Israël, en keer met mij terug, opdat ik de HEER uw God mag aanbidden.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 15 — omringende verzen
Nu dan, vergeef toch mijn zonde, en keer met mij terug, opdat ik de HEER mag aanbidden.
26En Samuel zeide tot Saul: Ik keer niet met u terug; want gij hebt het woord van de HEER verworpen, en de HEER heeft u verworpen als koning over Israël.
27En toen Samuel zich omdraaide om weg te gaan, greep hij de slip van zijn mantel, en die scheurde.
28En Samuel zeide tot hem: De HEER heeft het koninkrijk van Israël heden van u gescheurd, en heeft het gegeven aan een naaste van u, die beter is dan gij.
29En ook zal de Sterkte van Israël niet liegen noch berouw hebben; want Hij is geen mens, dat Hij berouw zou hebben.
Toen zeide hij: Ik heb gezondigd; maar eer mij toch nu voor de ogen van de oudsten van mijn volk en voor Israël, en keer met mij terug, opdat ik de HEER uw God mag aanbidden.
Zo keerde Samuel terug achter Saul aan; en Saul aanbad de HEER.
32Toen zeide Samuel: Breng Agag, de koning van de Amalekieten, hier tot mij. En Agag kwam tot hem met trage stappen. En Agag zeide: Voorzeker is de bitterheid van de dood voorbij.
33En Samuel zeide: Zoals uw zwaard vrouwen van kinderen beroofd heeft, zo zal uw moeder onder de vrouwen van kinderen beroofd worden. En Samuel hieuw Agag in stukken voor het aangezicht van de HEER in Gilgal.
34Daarna ging Samuel naar Rama; en Saul trok op naar zijn huis te Gibea van Saul.
35En Samuel zag Saul niet meer tot aan de dag van zijn dood; doch Samuel rouwde over Saul, en de HEER had berouw dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had.