1 Samuël 17:56
“En de koning zei: Vraag na wiens zoon deze jongeling is.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 17 — omringende verzen
Daarom liep David en ging op de Filistijn staan, nam zijn zwaard en trok het uit zijn schede en doodde hem daarmee, en hieuw zijn hoofd af. En toen de Filistijnen zagen dat hun kampvechter dood was, vluchtten zij.
52En de mannen van Israël en Juda stonden op, juichten en vervolgden de Filistijnen, totdat men het dal bereikte en de poorten van Ekron. En de gevallenen onder de Filistijnen lagen langs de weg naar Saäraïm, tot aan Gath en tot aan Ekron.
53En de kinderen Israëls keerden terug van het vervolgen van de Filistijnen en plunderden hun tenten.
54En David nam het hoofd van de Filistijn en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenrusting legde hij in zijn tent.
55En toen Saul David zag uittrekken tegen de Filistijn, zei hij tot Abner, de aanvoerder van het leger: Abner, wiens zoon is deze jongeling? En Abner zei: Zo waar als uw ziel leeft, o koning, ik weet het niet.
En de koning zei: Vraag na wiens zoon deze jongeling is.
En toen David terugkeerde van het verslaan van de Filistijn, nam Abner hem mee en bracht hem voor Saul, met het hoofd van de Filistijn in zijn hand.
58En Saul zei tot hem: Wiens zoon bent u, jongeling? En David antwoordde: Ik ben de zoon van uw dienaar Jesse, de Bethlehemiet.