Terug naar 1 Samuël 17
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 17:51

Daarom liep David en ging op de Filistijn staan, nam zijn zwaard en trok het uit zijn schede en doodde hem daarmee, en hieuw zijn hoofd af. En toen de Filistijnen zagen dat hun kampvechter dood was, vluchtten zij.

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 17 — omringende verzen

46

Op deze dag zal de HEER u overleveren in mijn hand; en ik zal u slaan en uw hoofd van u afnemen; en ik zal de lijken van het leger der Filistijnen op deze dag geven aan de vogels des hemels en aan de wilde dieren der aarde, opdat de gehele aarde wete dat er een God is in Israël.

47

En deze ganse vergadering zal weten dat de HEER niet verlost door zwaard en speer; want de strijd is des HEREN, en Hij zal u in onze handen geven.

48

En het geschiedde, toen de Filistijn opstond en naderbij kwam om David tegemoet te gaan, dat David zich haastte en naar het leger toeliep om de Filistijn tegemoet te gaan.

49

En David stak zijn hand in zijn tas, nam daaruit een steen, slingerde die en trof de Filistijn op zijn voorhoofd, zodat de steen in zijn voorhoofd drong; en hij viel met zijn aangezicht ter aarde.

50

Zo overwon David de Filistijn met een slinger en met een steen, en trof de Filistijn en doodde hem; maar er was geen zwaard in Davids hand.

51

Daarom liep David en ging op de Filistijn staan, nam zijn zwaard en trok het uit zijn schede en doodde hem daarmee, en hieuw zijn hoofd af. En toen de Filistijnen zagen dat hun kampvechter dood was, vluchtten zij.

52

En de mannen van Israël en Juda stonden op, juichten en vervolgden de Filistijnen, totdat men het dal bereikte en de poorten van Ekron. En de gevallenen onder de Filistijnen lagen langs de weg naar Saäraïm, tot aan Gath en tot aan Ekron.

53

En de kinderen Israëls keerden terug van het vervolgen van de Filistijnen en plunderden hun tenten.

54

En David nam het hoofd van de Filistijn en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenrusting legde hij in zijn tent.

55

En toen Saul David zag uittrekken tegen de Filistijn, zei hij tot Abner, de aanvoerder van het leger: Abner, wiens zoon is deze jongeling? En Abner zei: Zo waar als uw ziel leeft, o koning, ik weet het niet.

56

En de koning zei: Vraag na wiens zoon deze jongeling is.