1 Samuël 17:48
“En het geschiedde, toen de Filistijn opstond en naderbij kwam om David tegemoet te gaan, dat David zich haastte en naar het leger toeliep om de Filistijn tegemoet te gaan.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 17 — omringende verzen
En de Filistijn zei tot David: Ben ik een hond, dat u met stokken naar mij toekomt? En de Filistijn vervloekte David bij zijn goden.
44En de Filistijn zei tot David: Kom naar mij toe, dan zal ik uw vlees geven aan de vogels des hemels en aan de wilde dieren des velds.
45Toen zei David tot de Filistijn: U komt naar mij toe met een zwaard, met een speer en met een schild; maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEER der heerscharen, de God van de legers van Israël, die u gehoond hebt.
46Op deze dag zal de HEER u overleveren in mijn hand; en ik zal u slaan en uw hoofd van u afnemen; en ik zal de lijken van het leger der Filistijnen op deze dag geven aan de vogels des hemels en aan de wilde dieren der aarde, opdat de gehele aarde wete dat er een God is in Israël.
47En deze ganse vergadering zal weten dat de HEER niet verlost door zwaard en speer; want de strijd is des HEREN, en Hij zal u in onze handen geven.
En het geschiedde, toen de Filistijn opstond en naderbij kwam om David tegemoet te gaan, dat David zich haastte en naar het leger toeliep om de Filistijn tegemoet te gaan.
En David stak zijn hand in zijn tas, nam daaruit een steen, slingerde die en trof de Filistijn op zijn voorhoofd, zodat de steen in zijn voorhoofd drong; en hij viel met zijn aangezicht ter aarde.
50Zo overwon David de Filistijn met een slinger en met een steen, en trof de Filistijn en doodde hem; maar er was geen zwaard in Davids hand.
51Daarom liep David en ging op de Filistijn staan, nam zijn zwaard en trok het uit zijn schede en doodde hem daarmee, en hieuw zijn hoofd af. En toen de Filistijnen zagen dat hun kampvechter dood was, vluchtten zij.
52En de mannen van Israël en Juda stonden op, juichten en vervolgden de Filistijnen, totdat men het dal bereikte en de poorten van Ekron. En de gevallenen onder de Filistijnen lagen langs de weg naar Saäraïm, tot aan Gath en tot aan Ekron.
53En de kinderen Israëls keerden terug van het vervolgen van de Filistijnen en plunderden hun tenten.