Terug naar 1 Samuël 17
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 17:46

Op deze dag zal de HEER u overleveren in mijn hand; en ik zal u slaan en uw hoofd van u afnemen; en ik zal de lijken van het leger der Filistijnen op deze dag geven aan de vogels des hemels en aan de wilde dieren der aarde, opdat de gehele aarde wete dat er een God is in Israël.

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 17 — omringende verzen

41

En de Filistijn trok naderbij en naderde tot David; en de man die het schild droeg, ging voor hem uit.

42

En toen de Filistijn rondom keek en David zag, verachtte hij hem; want hij was nog een jongeling, rossig en schoon van uiterlijk.

43

En de Filistijn zei tot David: Ben ik een hond, dat u met stokken naar mij toekomt? En de Filistijn vervloekte David bij zijn goden.

44

En de Filistijn zei tot David: Kom naar mij toe, dan zal ik uw vlees geven aan de vogels des hemels en aan de wilde dieren des velds.

45

Toen zei David tot de Filistijn: U komt naar mij toe met een zwaard, met een speer en met een schild; maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEER der heerscharen, de God van de legers van Israël, die u gehoond hebt.

46

Op deze dag zal de HEER u overleveren in mijn hand; en ik zal u slaan en uw hoofd van u afnemen; en ik zal de lijken van het leger der Filistijnen op deze dag geven aan de vogels des hemels en aan de wilde dieren der aarde, opdat de gehele aarde wete dat er een God is in Israël.

47

En deze ganse vergadering zal weten dat de HEER niet verlost door zwaard en speer; want de strijd is des HEREN, en Hij zal u in onze handen geven.

48

En het geschiedde, toen de Filistijn opstond en naderbij kwam om David tegemoet te gaan, dat David zich haastte en naar het leger toeliep om de Filistijn tegemoet te gaan.

49

En David stak zijn hand in zijn tas, nam daaruit een steen, slingerde die en trof de Filistijn op zijn voorhoofd, zodat de steen in zijn voorhoofd drong; en hij viel met zijn aangezicht ter aarde.

50

Zo overwon David de Filistijn met een slinger en met een steen, en trof de Filistijn en doodde hem; maar er was geen zwaard in Davids hand.

51

Daarom liep David en ging op de Filistijn staan, nam zijn zwaard en trok het uit zijn schede en doodde hem daarmee, en hieuw zijn hoofd af. En toen de Filistijnen zagen dat hun kampvechter dood was, vluchtten zij.