Terug naar 1 Samuël 20
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 20:29

En hij zeide: Laat mij toch gaan, want ons geslacht heeft een offerande in de stad, en mijn broeder heeft mij geboden daarbij te zijn; en nu, indien ik genade gevonden heb in uw ogen, laat mij toch heengaan en mijn broederen zien. Daarom is hij niet aan de tafel des konings gekomen.

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 20 — omringende verzen

24

Zo verborg David zich op het veld; en toen de nieuwe maan gekomen was, zat de koning neder om te eten.

25

En de koning zat op zijn zetel, zoals te andere tijden, zelfs op een zetel bij de wand; en Jonathan stond op, en Abner zat aan Sauls zijde, en Davids plaats was leeg.

26

Maar Saul sprak niets die dag; want hij dacht: Er is hem iets overkomen, hij is onrein; voorzeker is hij onrein.

27

En het geschiedde de volgende dag, de tweede dag van de maand, dat Davids plaats leeg was; en Saul zeide tot zijn zoon Jonathan: Waarom is de zoon van Isaï noch gisteren noch heden tot de maaltijd gekomen?

28

En Jonathan antwoordde Saul: David heeft mij ernstig verlof gevraagd om naar Bethlehem te gaan.

29

En hij zeide: Laat mij toch gaan, want ons geslacht heeft een offerande in de stad, en mijn broeder heeft mij geboden daarbij te zijn; en nu, indien ik genade gevonden heb in uw ogen, laat mij toch heengaan en mijn broederen zien. Daarom is hij niet aan de tafel des konings gekomen.

30

Toen ontstak Sauls toorn tegen Jonathan, en hij zeide tot hem: Gij zoon van een verkeerde en weerspannige vrouw, weet ik niet dat gij de zoon van Isaï gekozen hebt tot uw eigen schande en tot schande van de naaktheid uwer moeder?

31

Want zo lang als de zoon van Isaï op de aarde leeft, zult gij niet bevestigd worden, noch uw koninkrijk. Zend dan nu en haal hem tot mij, want hij moet zeker sterven.

32

En Jonathan antwoordde zijn vader Saul en zeide tot hem: Waarom zou hij gedood worden? Wat heeft hij gedaan?

33

En Saul wierp een speer naar hem om hem te treffen; waaruit Jonathan wist dat het bij zijn vader besloten was om David te doden.

34

Zo stond Jonathan op van de tafel in hevige toorn, en hij at op de tweede dag van de maand geen spijs; want hij was bedroefd om David, omdat zijn vader hem beschaamd had.