1 Samuël 22:2
“En ieder die in nood was, en ieder die schulden had, en ieder die verbitterd van ziel was, verzamelde zich bij hem; en hij werd een aanvoerder over hen; en er waren bij hem omtrent vierhonderd mannen.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 22 — omringende verzen
David vertrok dan vandaar en ontkwam naar de spelonk van Adullam; en toen zijn broeders en het gehele huis van zijn vader het hoorden, gingen zij daarheen tot hem.
En ieder die in nood was, en ieder die schulden had, en ieder die verbitterd van ziel was, verzamelde zich bij hem; en hij werd een aanvoerder over hen; en er waren bij hem omtrent vierhonderd mannen.
En David ging vandaar naar Mizpa van Moab; en hij zeide tot de koning van Moab: Laat mijn vader en mijn moeder toch bij u komen en bij u verblijven, totdat ik weet wat God met mij zal doen.
4En hij bracht hen voor de koning van Moab; en zij woonden bij hem al de tijd dat David in de vesting was.
5En de profeet Gad zeide tot David: Blijf niet in de vesting; ga heen en begeef u naar het land Juda. Toen vertrok David en kwam in het woud van Hareth.
6Toen Saul hoorde dat David ontdekt was, en de mannen die bij hem waren — nu verbleef Saul in Gibea, onder een boom op de hoogte, met zijn speer in de hand, en al zijn dienaren stonden rondom hem —
7zeide Saul tot zijn dienaren die rondom hem stonden: Hoort toch, gij Benjaminieten; zal de zoon van Isaï aan ieder van u velden en wijngaarden geven en u allen tot aanvoerders van duizenden en van honderden maken,