Terug naar 1 Samuël 22
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 22:8

dat gij allen tegen mij hebt samengespannen, en niemand mij heeft laten weten dat mijn zoon een verbond gesloten heeft met de zoon van Isaï, en niemand van u voor mij bedroefd is of mij heeft laten weten dat mijn zoon mijn dienaar tegen mij heeft opgestookt om mij op te loeren, zoals op deze dag?

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 22 — omringende verzen

3

En David ging vandaar naar Mizpa van Moab; en hij zeide tot de koning van Moab: Laat mijn vader en mijn moeder toch bij u komen en bij u verblijven, totdat ik weet wat God met mij zal doen.

4

En hij bracht hen voor de koning van Moab; en zij woonden bij hem al de tijd dat David in de vesting was.

5

En de profeet Gad zeide tot David: Blijf niet in de vesting; ga heen en begeef u naar het land Juda. Toen vertrok David en kwam in het woud van Hareth.

6

Toen Saul hoorde dat David ontdekt was, en de mannen die bij hem waren — nu verbleef Saul in Gibea, onder een boom op de hoogte, met zijn speer in de hand, en al zijn dienaren stonden rondom hem —

7

zeide Saul tot zijn dienaren die rondom hem stonden: Hoort toch, gij Benjaminieten; zal de zoon van Isaï aan ieder van u velden en wijngaarden geven en u allen tot aanvoerders van duizenden en van honderden maken,

8

dat gij allen tegen mij hebt samengespannen, en niemand mij heeft laten weten dat mijn zoon een verbond gesloten heeft met de zoon van Isaï, en niemand van u voor mij bedroefd is of mij heeft laten weten dat mijn zoon mijn dienaar tegen mij heeft opgestookt om mij op te loeren, zoals op deze dag?

9

Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die aangesteld was over de dienaren van Saul, en zeide: Ik zag de zoon van Isaï komen te Nob, bij Ahimelech, de zoon van Ahitub.

10

En hij ondervroeg de HEER voor hem, en gaf hem proviand, en gaf hem het zwaard van Goliath, de Filistijn.

11

Toen zond de koning om Ahimelech, de priester, de zoon van Ahitub, te roepen, en het gehele huis van zijn vader, de priesters die in Nob waren; en zij kwamen allen tot de koning.

12

En Saul zeide: Hoor toch, gij zoon van Ahitub. En hij antwoordde: Hier ben ik, mijn heer.

13

En Saul zeide tot hem: Waarom hebt gij tegen mij samengespannen, gij en de zoon van Isaï, doordat gij hem brood gegeven hebt en een zwaard, en God voor hem ondervraagd hebt, opdat hij zich tegen mij zou oprichten om op te loeren, zoals op deze dag?