1 Samuël 24:6
“En hij zei tot zijn mannen: De HEER verhoede het, dat ik dit aan mijn heer zou doen, aan de gezalfde van de HEER, om mijn hand tegen hem uit te strekken, want hij is de gezalfde van de HEER.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 24 — omringende verzen
En het geschiedde, toen Saul teruggekeerd was van de achtervolging der Filistijnen, dat men hem boodschapte en zei: Zie, David is in de woestijn van Engedi.
2Toen nam Saul drieduizend uitgelezen mannen uit geheel Israël, en ging heen om David en zijn mannen te zoeken op de rotsen der steenbokken.
3En hij kwam bij de schaapskooien langs de weg, waar een grot was; en Saul ging daarin om zijn voeten te bedekken; en David en zijn mannen zaten achteraan in de grot.
4En de mannen van David zeiden tot hem: Zie, dit is de dag waarvan de HEER u heeft gezegd: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, zodat u met hem kunt doen wat goed is in uw ogen. Toen stond David op en sneed heimelijk de slip van Sauls mantel af.
5En het geschiedde daarna, dat het hart van David hem sloeg, omdat hij de slip van Saul had afgesneden.
En hij zei tot zijn mannen: De HEER verhoede het, dat ik dit aan mijn heer zou doen, aan de gezalfde van de HEER, om mijn hand tegen hem uit te strekken, want hij is de gezalfde van de HEER.
Zo weerhield David zijn dienaren met deze woorden, en liet hen niet opstaan tegen Saul. En Saul stond op uit de grot en ging zijn weg.
8David stond daarna ook op en ging uit de grot, en riep Saul achterna: Mijn heer, de koning! En toen Saul achter zich keek, boog David zijn gezicht ter aarde neer en wierp zich voor hem neer.
9En David zei tot Saul: Waarom luistert u naar de woorden van mensen die zeggen: Zie, David zoekt uw verderf?
10Zie, heden hebben uw ogen gezien hoe de HEER u heden in mijn hand heeft gegeven in de grot; en sommigen zeiden dat ik u doden moest, maar mijn oog spaarde u; en ik zei: Ik zal mijn hand niet uitstrekken tegen mijn heer, want hij is de gezalfde van de HEER.
11Bovendien, mijn vader, zie toch, zie de slip van uw mantel in mijn hand; want doordat ik de slip van uw mantel heb afgesneden en u niet gedood heb, weet en zie dat er geen kwaad noch overtreding in mijn hand is, en ik u niet heb misdaan; nochtans jaagt u mijn ziel na om haar te nemen.