1 Samuël 27:2
“En David stond op en trok over met de zeshonderd mannen die bij hem waren, naar Achis, de zoon van Maoch, de koning van Gath.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 27 — omringende verzen
En David zei in zijn hart: Nu zal ik eens omkomen door de hand van Saul; er is niets beters voor mij dan dat ik snel ontsna naar het land der Filistijnen, zodat Saul wanhopig zal zijn om mij nog te zoeken in enig gebied van Israël; zo zal ik aan zijn hand ontkomen.
En David stond op en trok over met de zeshonderd mannen die bij hem waren, naar Achis, de zoon van Maoch, de koning van Gath.
En David woonde bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, elk met zijn huisgezin, ook David met zijn twee vrouwen, Ahinoam de Jizreëlitische en Abigaïl de Karmelitische, de vrouw van Nabal.
4En men berichtte Saul dat David naar Gath gevlucht was, en hij zocht hem niet meer.
5En David zei tot Achis: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, laat men mij een plaats geven in een van de steden in het land, opdat ik daar wone; want waarom zou uw dienaar in de koninklijke stad bij u wonen?
6Toen gaf Achis hem op die dag Ziklag; daarom behoort Ziklag tot op deze dag toe aan de koningen van Juda.
7En de tijd dat David in het land van de Filistijnen woonde, was een vol jaar en vier maanden.