Terug naar 1 Samuël 27
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 27:7

En de tijd dat David in het land van de Filistijnen woonde, was een vol jaar en vier maanden.

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 27 — omringende verzen

2

En David stond op en trok over met de zeshonderd mannen die bij hem waren, naar Achis, de zoon van Maoch, de koning van Gath.

3

En David woonde bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, elk met zijn huisgezin, ook David met zijn twee vrouwen, Ahinoam de Jizreëlitische en Abigaïl de Karmelitische, de vrouw van Nabal.

4

En men berichtte Saul dat David naar Gath gevlucht was, en hij zocht hem niet meer.

5

En David zei tot Achis: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, laat men mij een plaats geven in een van de steden in het land, opdat ik daar wone; want waarom zou uw dienaar in de koninklijke stad bij u wonen?

6

Toen gaf Achis hem op die dag Ziklag; daarom behoort Ziklag tot op deze dag toe aan de koningen van Juda.

7

En de tijd dat David in het land van de Filistijnen woonde, was een vol jaar en vier maanden.

8

En David en zijn mannen trokken op en vielen aan op de Gesurieten, de Girzieten en de Amalekieten; want deze volkeren waren van oudsher de bewoners van het land, wanneer men naar Sur gaat, tot aan het land Egypte.

9

En David sloeg het land, en liet noch man noch vrouw in leven, en nam de schapen, de runderen, de ezels, de kamelen en de kleding weg, en keerde terug en kwam bij Achis.

10

En Achis zei: Waarheen hebt u vandaag een inval gedaan? En David zei: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden van de Jerahmeëlieten, en tegen het zuiden van de Kenieten.

11

En David liet noch man noch vrouw in leven om naar Gath te brengen, zeggende: Opdat zij niet over ons zouden spreken en zeggen: Zo heeft David gedaan, en zo zal zijn manier zijn al de tijd dat hij in het land van de Filistijnen woont.

12

En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich volkomen verfoeilijk gemaakt bij zijn volk Israël; daarom zal hij mijn dienaar zijn voor altijd.