Terug naar 1 Samuël 9
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 9:16

Morgen omstreeks deze tijd zal Ik u een man zenden uit het land Benjamin, en gij zult hem zalven tot vorst over Mijn volk Israël, opdat hij Mijn volk verlosse uit de hand van de Filistijnen; want Ik heb Mijn volk aangezien, omdat hun geroep tot Mij gekomen is.

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 9 — omringende verzen

11

Toen zij de heuvel opgingen naar de stad, troffen zij jonge maagden aan die uitgingen om water te putten, en zij zeiden tot hen: Is de ziener hier?

12

En zij antwoordden hun, en zeiden: Ja; zie, hij is vóór u. Haast u nu, want hij is heden in de stad gekomen, omdat er heden een offer van het volk is op de hoogte.

13

Zodra gij in de stad komt, zult gij hem terstond vinden, voordat hij naar de hoogte opgaat om te eten; want het volk zal niet eten totdat hij komt, omdat hij het offer zegent; en daarna eten degenen die genodigd zijn. Ga nu dus op, want omstreeks deze tijd zult gij hem vinden.

14

En zij gingen op naar de stad. Toen zij in de stad gekomen waren, zie, toen kwam Samuël naar buiten, hun tegemoet, om naar de hoogte op te gaan.

15

Nu had de HEER Samuël een dag voordat Saul kwam, in het oor geopenbaard, zeggende:

16

Morgen omstreeks deze tijd zal Ik u een man zenden uit het land Benjamin, en gij zult hem zalven tot vorst over Mijn volk Israël, opdat hij Mijn volk verlosse uit de hand van de Filistijnen; want Ik heb Mijn volk aangezien, omdat hun geroep tot Mij gekomen is.

17

En toen Samuël Saul zag, zei de HEER tot hem: Zie de man van wie Ik tot u gesproken heb! Deze zal over Mijn volk heersen.

18

Toen trad Saul tot Samuël in de poort, en zei: Zeg mij toch, waar is het huis van de ziener?

19

En Samuël antwoordde Saul, en zei: Ik ben de ziener. Ga vóór mij op naar de hoogte, want gij zult heden met mij eten; en morgen zal ik u laten gaan, en zal u alles wat in uw hart is, vertellen.

20

En wat uw ezelinnen betreft die drie dagen geleden verloren zijn gegaan, zet uw hart niet daarop, want zij zijn gevonden. En op wie is al het begeren van Israël? Is het niet op u, en op het ganse huis uws vaders?

21

En Saul antwoordde en zei: Ben ik niet een Benjaminiet, van de kleinste van de stammen Israëls, en is mijn geslacht niet het geringste van al de geslachten van de stam Benjamin? Waarom spreekt gij dan zulke woorden tot mij?