Terug naar 1 Samuël 9
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 9:20

En wat uw ezelinnen betreft die drie dagen geleden verloren zijn gegaan, zet uw hart niet daarop, want zij zijn gevonden. En op wie is al het begeren van Israël? Is het niet op u, en op het ganse huis uws vaders?

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 9 — omringende verzen

15

Nu had de HEER Samuël een dag voordat Saul kwam, in het oor geopenbaard, zeggende:

16

Morgen omstreeks deze tijd zal Ik u een man zenden uit het land Benjamin, en gij zult hem zalven tot vorst over Mijn volk Israël, opdat hij Mijn volk verlosse uit de hand van de Filistijnen; want Ik heb Mijn volk aangezien, omdat hun geroep tot Mij gekomen is.

17

En toen Samuël Saul zag, zei de HEER tot hem: Zie de man van wie Ik tot u gesproken heb! Deze zal over Mijn volk heersen.

18

Toen trad Saul tot Samuël in de poort, en zei: Zeg mij toch, waar is het huis van de ziener?

19

En Samuël antwoordde Saul, en zei: Ik ben de ziener. Ga vóór mij op naar de hoogte, want gij zult heden met mij eten; en morgen zal ik u laten gaan, en zal u alles wat in uw hart is, vertellen.

20

En wat uw ezelinnen betreft die drie dagen geleden verloren zijn gegaan, zet uw hart niet daarop, want zij zijn gevonden. En op wie is al het begeren van Israël? Is het niet op u, en op het ganse huis uws vaders?

21

En Saul antwoordde en zei: Ben ik niet een Benjaminiet, van de kleinste van de stammen Israëls, en is mijn geslacht niet het geringste van al de geslachten van de stam Benjamin? Waarom spreekt gij dan zulke woorden tot mij?

22

En Samuël nam Saul en zijn knecht, en bracht hen in de zaal, en deed hen zitten op de voornaamste plaats onder de genodigden, welke omtrent dertig mannen waren.

23

En Samuël zei tot de kok: Breng het deel dat ik u gegeven heb, waarvan ik tot u gezegd heb: Leg het bij u weg.

24

En de kok nam de schouder op, met wat daaraan was, en zette het Saul voor. En Samuël zei: Zie, wat overgebleven is! Zet het voor u, en eet, want het is voor u bewaard geweest tot deze tijd, toen ik zei: Ik heb het volk genodigd. Zo at Saul die dag met Samuël.

25

En toen zij van de hoogte afkwamen in de stad, sprak Samuël met Saul op het dak van het huis.