1 Samuël 9:27
“Toen zij aan het einde van de stad afdaalden, zei Samuël tegen Saul: Zeg de knecht dat hij vóór ons heengaat (en hij ging heen), maar sta gij nu een ogenblik stil, opdat ik u het woord van God bekendmaak.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 9 — omringende verzen
En Samuël nam Saul en zijn knecht, en bracht hen in de zaal, en deed hen zitten op de voornaamste plaats onder de genodigden, welke omtrent dertig mannen waren.
23En Samuël zei tot de kok: Breng het deel dat ik u gegeven heb, waarvan ik tot u gezegd heb: Leg het bij u weg.
24En de kok nam de schouder op, met wat daaraan was, en zette het Saul voor. En Samuël zei: Zie, wat overgebleven is! Zet het voor u, en eet, want het is voor u bewaard geweest tot deze tijd, toen ik zei: Ik heb het volk genodigd. Zo at Saul die dag met Samuël.
25En toen zij van de hoogte afkwamen in de stad, sprak Samuël met Saul op het dak van het huis.
26En zij stonden vroeg op; en het geschiedde omstreeks het aanbreken van de dag, dat Samuël Saul riep op het dak van het huis, zeggende: Sta op, opdat ik u wegzende. En Saul stond op, en zij gingen beiden uit, hij en Samuël, naar buiten.
Toen zij aan het einde van de stad afdaalden, zei Samuël tegen Saul: Zeg de knecht dat hij vóór ons heengaat (en hij ging heen), maar sta gij nu een ogenblik stil, opdat ik u het woord van God bekendmaak.