1 Tessalonicenzen 2:19
“Want wat is onze hoop, of blijdschap, of kroon der roem? Zijt niet ook u dat, voor het aangezicht van onze Heer Jezus Christus bij Zijn komst?”
Kruisverwijzingen
Context
1 Tessalonicenzen 2 — omringende verzen
Want u, broeders, bent navolgers geworden van de gemeenten Gods die in Judea zijn in Christus Jezus, omdat ook u hetzelfde geleden hebt van uw eigen landgenoten, gelijk ook zij van de Joden,
15Die zowel de Heer Jezus als hun eigen profeten gedood hebben, en ons vervolgd hebben; en zij behagen God niet en zijn alle mensen tegen,
16Ons verhinderend tot de heidenen te spreken, opdat zij zalig worden, om alzo hun zonden altijd vol te maken; maar de toorn is over hen gekomen tot het einde toe.
17Maar wij, broeders, van u beroofd zijnde voor een korte tijd, in aanwezigheid, niet in het hart, hebben te meer ijverig getracht uw aangezicht te zien, met groot verlangen.
18Daarom wilden wij tot u komen, namelijk ik, Paulus, ook eenmaal en andermaal; maar de satan heeft ons verhinderd.
Want wat is onze hoop, of blijdschap, of kroon der roem? Zijt niet ook u dat, voor het aangezicht van onze Heer Jezus Christus bij Zijn komst?
Want u bent onze heerlijkheid en blijdschap.