1 Tessalonicenzen 2:17
“Maar wij, broeders, van u beroofd zijnde voor een korte tijd, in aanwezigheid, niet in het hart, hebben te meer ijverig getracht uw aangezicht te zien, met groot verlangen.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Tessalonicenzen 2 — omringende verzen
Opdat u wandelen zoudt waardig Gods, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.
13Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat toen u het woord Gods van ons hoorde en ontving, u het aangenomen hebt, niet als woord van mensen, maar, gelijk het waarlijk is, als woord van God, hetwelk ook krachtig werkt in u die gelooft.
14Want u, broeders, bent navolgers geworden van de gemeenten Gods die in Judea zijn in Christus Jezus, omdat ook u hetzelfde geleden hebt van uw eigen landgenoten, gelijk ook zij van de Joden,
15Die zowel de Heer Jezus als hun eigen profeten gedood hebben, en ons vervolgd hebben; en zij behagen God niet en zijn alle mensen tegen,
16Ons verhinderend tot de heidenen te spreken, opdat zij zalig worden, om alzo hun zonden altijd vol te maken; maar de toorn is over hen gekomen tot het einde toe.
Maar wij, broeders, van u beroofd zijnde voor een korte tijd, in aanwezigheid, niet in het hart, hebben te meer ijverig getracht uw aangezicht te zien, met groot verlangen.
Daarom wilden wij tot u komen, namelijk ik, Paulus, ook eenmaal en andermaal; maar de satan heeft ons verhinderd.
19Want wat is onze hoop, of blijdschap, of kroon der roem? Zijt niet ook u dat, voor het aangezicht van onze Heer Jezus Christus bij Zijn komst?
20Want u bent onze heerlijkheid en blijdschap.