1 Tessalonicenzen 2:12
“Opdat u wandelen zoudt waardig Gods, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Tessalonicenzen 2 — omringende verzen
Maar wij zijn zacht geweest in het midden van u, gelijk een voedster haar eigen kinderen koestert.
8Zo verlangende naar u, waren wij welgezind om u mede te delen, niet alleen het evangelie van God, maar ook onze eigen zielen, omdat u ons lief geworden waart.
9Want u herinnert zich, broeders, onze arbeid en moeite: want wij, nacht en dag werkende, opdat wij niemand van u tot last zouden zijn, hebben het evangelie van God bij u gepredikt.
10U bent getuigen, en God ook, hoe heilig en rechtvaardig en onberispelijk wij ons jegens u die gelooft gedragen hebben,
11Gelijk u weet hoe wij een ieder van u vermaand en vertroost hebben, en betuigd, als een vader zijn kinderen,
Opdat u wandelen zoudt waardig Gods, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.
Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat toen u het woord Gods van ons hoorde en ontving, u het aangenomen hebt, niet als woord van mensen, maar, gelijk het waarlijk is, als woord van God, hetwelk ook krachtig werkt in u die gelooft.
14Want u, broeders, bent navolgers geworden van de gemeenten Gods die in Judea zijn in Christus Jezus, omdat ook u hetzelfde geleden hebt van uw eigen landgenoten, gelijk ook zij van de Joden,
15Die zowel de Heer Jezus als hun eigen profeten gedood hebben, en ons vervolgd hebben; en zij behagen God niet en zijn alle mensen tegen,
16Ons verhinderend tot de heidenen te spreken, opdat zij zalig worden, om alzo hun zonden altijd vol te maken; maar de toorn is over hen gekomen tot het einde toe.
17Maar wij, broeders, van u beroofd zijnde voor een korte tijd, in aanwezigheid, niet in het hart, hebben te meer ijverig getracht uw aangezicht te zien, met groot verlangen.