1 Tessalonicenzen 2:11
“Gelijk u weet hoe wij een ieder van u vermaand en vertroost hebben, en betuigd, als een vader zijn kinderen,”
Kruisverwijzingen
Context
1 Tessalonicenzen 2 — omringende verzen
Noch hebben wij eer gezocht van mensen, noch van u, noch van anderen, hoewel wij als apostelen van Christus tot last hadden kunnen zijn.
7Maar wij zijn zacht geweest in het midden van u, gelijk een voedster haar eigen kinderen koestert.
8Zo verlangende naar u, waren wij welgezind om u mede te delen, niet alleen het evangelie van God, maar ook onze eigen zielen, omdat u ons lief geworden waart.
9Want u herinnert zich, broeders, onze arbeid en moeite: want wij, nacht en dag werkende, opdat wij niemand van u tot last zouden zijn, hebben het evangelie van God bij u gepredikt.
10U bent getuigen, en God ook, hoe heilig en rechtvaardig en onberispelijk wij ons jegens u die gelooft gedragen hebben,
Gelijk u weet hoe wij een ieder van u vermaand en vertroost hebben, en betuigd, als een vader zijn kinderen,
Opdat u wandelen zoudt waardig Gods, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.
13Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat toen u het woord Gods van ons hoorde en ontving, u het aangenomen hebt, niet als woord van mensen, maar, gelijk het waarlijk is, als woord van God, hetwelk ook krachtig werkt in u die gelooft.
14Want u, broeders, bent navolgers geworden van de gemeenten Gods die in Judea zijn in Christus Jezus, omdat ook u hetzelfde geleden hebt van uw eigen landgenoten, gelijk ook zij van de Joden,
15Die zowel de Heer Jezus als hun eigen profeten gedood hebben, en ons vervolgd hebben; en zij behagen God niet en zijn alle mensen tegen,
16Ons verhinderend tot de heidenen te spreken, opdat zij zalig worden, om alzo hun zonden altijd vol te maken; maar de toorn is over hen gekomen tot het einde toe.