1 Tessalonicenzen 2:8
“Zo verlangende naar u, waren wij welgezind om u mede te delen, niet alleen het evangelie van God, maar ook onze eigen zielen, omdat u ons lief geworden waart.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Tessalonicenzen 2 — omringende verzen
Want onze vermaning was niet uit bedrog, noch uit onreinheid, noch met list,
4Maar zoals wij door God beproefd zijn om met het evangelie toevertrouwd te worden, zo spreken wij, niet als mensen behagende, maar God, Die onze harten beproeft.
5Want wij hebben te geen tijd vleierige woorden gebruikt, gelijk u weet, noch een dekmantel van hebzucht; God is getuige,
6Noch hebben wij eer gezocht van mensen, noch van u, noch van anderen, hoewel wij als apostelen van Christus tot last hadden kunnen zijn.
7Maar wij zijn zacht geweest in het midden van u, gelijk een voedster haar eigen kinderen koestert.
Zo verlangende naar u, waren wij welgezind om u mede te delen, niet alleen het evangelie van God, maar ook onze eigen zielen, omdat u ons lief geworden waart.
Want u herinnert zich, broeders, onze arbeid en moeite: want wij, nacht en dag werkende, opdat wij niemand van u tot last zouden zijn, hebben het evangelie van God bij u gepredikt.
10U bent getuigen, en God ook, hoe heilig en rechtvaardig en onberispelijk wij ons jegens u die gelooft gedragen hebben,
11Gelijk u weet hoe wij een ieder van u vermaand en vertroost hebben, en betuigd, als een vader zijn kinderen,
12Opdat u wandelen zoudt waardig Gods, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.
13Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat toen u het woord Gods van ons hoorde en ontving, u het aangenomen hebt, niet als woord van mensen, maar, gelijk het waarlijk is, als woord van God, hetwelk ook krachtig werkt in u die gelooft.