1 Tessalonicenzen 2:6
“Noch hebben wij eer gezocht van mensen, noch van u, noch van anderen, hoewel wij als apostelen van Christus tot last hadden kunnen zijn.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Tessalonicenzen 2 — omringende verzen
Want u zelf weet, broeders, van onze intocht bij u, dat die niet tevergeefs geweest is,
2Maar nadat wij tevoren geleden hadden en smadelijk behandeld waren, zoals u weet, te Filippi, waren wij vrijmoedig in onze God om tot u te spreken het evangelie van God, met veel strijd.
3Want onze vermaning was niet uit bedrog, noch uit onreinheid, noch met list,
4Maar zoals wij door God beproefd zijn om met het evangelie toevertrouwd te worden, zo spreken wij, niet als mensen behagende, maar God, Die onze harten beproeft.
5Want wij hebben te geen tijd vleierige woorden gebruikt, gelijk u weet, noch een dekmantel van hebzucht; God is getuige,
Noch hebben wij eer gezocht van mensen, noch van u, noch van anderen, hoewel wij als apostelen van Christus tot last hadden kunnen zijn.
Maar wij zijn zacht geweest in het midden van u, gelijk een voedster haar eigen kinderen koestert.
8Zo verlangende naar u, waren wij welgezind om u mede te delen, niet alleen het evangelie van God, maar ook onze eigen zielen, omdat u ons lief geworden waart.
9Want u herinnert zich, broeders, onze arbeid en moeite: want wij, nacht en dag werkende, opdat wij niemand van u tot last zouden zijn, hebben het evangelie van God bij u gepredikt.
10U bent getuigen, en God ook, hoe heilig en rechtvaardig en onberispelijk wij ons jegens u die gelooft gedragen hebben,
11Gelijk u weet hoe wij een ieder van u vermaand en vertroost hebben, en betuigd, als een vader zijn kinderen,