1 Tessalonicenzen 4:6
“Dat niemand zijn broeder te na kome of bedriege in enige zaak, omdat de Heer een wreker is van dit alles, gelijk wij u ook tevoren gezegd en betuigd hebben.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Tessalonicenzen 4 — omringende verzen
Voorts dan, broeders, bidden en vermanen wij u door de Heer Jezus, dat, gelijk u van ons ontvangen hebt hoe u behort te wandelen en God te behagen, u overvloediger daarin toenemen zoudt.
2Want u weet welke geboden wij u gegeven hebben door de Heer Jezus.
3Want dit is de wil van God, namelijk uw heiligmaking, dat u zich onthoudt van hoererij,
4Dat een ieder van u weet zijn eigen vat te bezitten in heiligmaking en eer,
5Niet in wellust der begeerlijkheid, gelijk ook de heidenen die God niet kennen,
Dat niemand zijn broeder te na kome of bedriege in enige zaak, omdat de Heer een wreker is van dit alles, gelijk wij u ook tevoren gezegd en betuigd hebben.
Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar tot heiligmaking.
8Die dan dit veracht, veracht niet een mens, maar God, Die ook Zijn Heilige Geest in ons gegeven heeft.
9Maar aangaande de broederliefde hebt u niet nodig dat ik u schrijve; want u zelf zijt van God geleerd om elkaar lief te hebben.
10En u doet dat ook jegens al de broeders die in geheel Macedonië zijn; maar wij vermanen u, broeders, dat u daarin meer en meer toeneemt,
11En dat u er een eer in stelt stil te zijn, en uw eigen zaken te doen, en te werken met uw eigen handen, gelijk wij u geboden hebben,