1 Timotheüs 1:7
“Die leraars van de wet willen zijn, zonder te begrijpen wat zij zeggen noch wat zij zo stellig beweren.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Timotheüs 1 — omringende verzen
Aan Timotheüs, mijn eigen zoon in het geloof: genade, barmhartigheid en vrede van God onze Vader en Jezus Christus onze Heer.
3Zoals ik u gesmeekt heb te Efeze te blijven, toen ik naar Macedonië reisde, opdat u sommigen zou gelasten geen andere leer te onderwijzen,
4En zich niet te bekommeren om fabels en eindeloze geslachtsregisters, die meer twijfelvragen opwekken dan stichting in het geloof geven — zo doet u.
5Het doel van het gebod is nu liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof;
6Waarvan sommigen afgeweken zijn en zich tot ijdel gepraat gekeerd hebben;
Die leraars van de wet willen zijn, zonder te begrijpen wat zij zeggen noch wat zij zo stellig beweren.
Maar wij weten dat de wet goed is, als iemand haar wettig gebruikt;
9Dit wetende, dat de wet niet is gesteld voor de rechtvaardige, maar voor de wettelozen en weerspannigen, voor de goddelozen en zondaars, voor de onheiligen en ongewijden, voor de vadermoorders en moedermoorders, voor de doodslagers,
10Voor de hoereerders, voor hen die zichzelf met mannen onteren, voor mensenstelers, voor leugenaars, voor meinedigen, en zo er enig ander ding is dat de gezonde leer tegenstaat;
11Overeenkomstig het heerlijke Evangelie van de zalige God, dat mij is toevertrouwd.
12En ik dank Christus Jezus onze Heer, Die mij kracht gegeven heeft, dat Hij mij getrouw heeft geacht en tot de bediening gesteld;