2 Koningen 13:11
“En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEREN; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, maar wandelde daarin.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 13 — omringende verzen
Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israël deed zondigen, maar wandelden daarin; en ook het gewijde bos bleef staan in Samaria.
7Want hij had van het volk voor Joahaz niet meer overgelaten dan vijftig ruiters en tien wagens en tienduizend voetknechten; want de koning van Syrië had hen vernietigd en hen gemaakt als stof bij het dorsen.
8En de overige daden van Joahaz, en al wat hij deed, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël?
9En Joahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in Samaria; en Joas, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
10In het zevenendertigste jaar van Joas, koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israël in Samaria; en hij regeerde zestien jaar.
En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEREN; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, maar wandelde daarin.
En de overige daden van Joas, en al wat hij deed, en zijn macht waarmee hij streed tegen Amazia, koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël?
13En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon; en Joas werd begraven in Samaria bij de koningen van Israël.
14Elisa nu was ziek geworden aan zijn ziekte waaraan hij sterven zou. En Joas, de koning van Israël, kwam tot hem af en weende over zijn aangezicht en zeide: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiters!
15En Elisa zeide tot hem: Neem boog en pijlen. En hij nam boog en pijlen tot zich.
16En hij zeide tot de koning van Israël: Leg uw hand op de boog. En hij legde zijn hand daarop. En Elisa legde zijn handen op de handen des konings.