Terug naar 2 Koningen 13
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 13:7

Want hij had van het volk voor Joahaz niet meer overgelaten dan vijftig ruiters en tien wagens en tienduizend voetknechten; want de koning van Syrië had hen vernietigd en hen gemaakt als stof bij het dorsen.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 13 — omringende verzen

2

En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEREN, en volgde de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen; hij week daarvan niet af.

3

En de toorn des HEREN ontbrandde tegen Israël, en Hij gaf hen in de hand van Hazaël, koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, al hun dagen.

4

En Joahaz smeekte de HEER, en de HEER verhoorde hem, want Hij zag de verdrukking van Israël, omdat de koning van Syrië hen verdrukte.

5

En de HEER gaf Israël een verlosser, zodat zij uit de hand der Syriërs kwamen; en de kinderen Israëls woonden in hun tenten zoals voorheen.

6

Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israël deed zondigen, maar wandelden daarin; en ook het gewijde bos bleef staan in Samaria.

7

Want hij had van het volk voor Joahaz niet meer overgelaten dan vijftig ruiters en tien wagens en tienduizend voetknechten; want de koning van Syrië had hen vernietigd en hen gemaakt als stof bij het dorsen.

8

En de overige daden van Joahaz, en al wat hij deed, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël?

9

En Joahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in Samaria; en Joas, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

10

In het zevenendertigste jaar van Joas, koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israël in Samaria; en hij regeerde zestien jaar.

11

En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEREN; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, maar wandelde daarin.

12

En de overige daden van Joas, en al wat hij deed, en zijn macht waarmee hij streed tegen Amazia, koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël?