2 Koningen 17:28
“Toen kwam een van de priesters die zij uit Samaria hadden weggevoerd, en woonde in Bethel, en onderwees hen hoe zij de HEER moesten vrezen.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 17 — omringende verzen
Totdat de HEER Israël van voor zijn aangezicht had verwijderd, zoals Hij had gesproken door al zijn knechten, de profeten. Zo werd Israël weggevoerd uit zijn eigen land naar Assyrië, tot op deze dag.
24En de koning van Assyrië bracht mannen uit Babel, uit Kuta, uit Avva, uit Hamath en uit Sefarvaïm, en plaatste hen in de steden van Samaria in de plaats van de kinderen van Israël; en zij namen Samaria in bezit en woonden in zijn steden.
25En zo was het: bij het begin van hun wonen aldaar vreesden zij de HEER niet; daarom zond de HEER leeuwen onder hen, die sommigen van hen doodden.
26Daarom spraken zij tot de koning van Assyrië: De volken die u heeft weggevoerd en in de steden van Samaria heeft geplaatst, kennen de wijze van de God van dat land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en zie, zij doden hen, omdat zij de wijze van de God van dat land niet kennen.
27Toen gebood de koning van Assyrië: Breng daarheen een van de priesters die u vandaar hebt weggevoerd; laat hem gaan en daar wonen, en laat hem hen onderwijzen in de wijze van de God van dat land.
Toen kwam een van de priesters die zij uit Samaria hadden weggevoerd, en woonde in Bethel, en onderwees hen hoe zij de HEER moesten vrezen.
Maar elke natie maakte zijn eigen goden en plaatste hen in de huizen van de offerhoogten die de Samaritanen hadden gemaakt, elke natie in de steden waar zij woonden.
30En de mannen van Babel maakten Sukkoth-Benoth, en de mannen van Kut maakten Nergal, en de mannen van Hamath maakten Asima,
31En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvaieten verbrandden hun kinderen in het vuur voor Adrammelech en Anammelech, de goden van Sefarvaim.
32Zo vreesden zij de HEER, en maakten voor zichzelf priesters van de geringsten onder hen voor de offerhoogten, die voor hen offerden in de huizen der offerhoogten.
33Zij vreesden de HEER, en dienden hun eigen goden, naar de wijze der volken van waar zij waren weggevoerd.