2 Koningen 17:31
“En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvaieten verbrandden hun kinderen in het vuur voor Adrammelech en Anammelech, de goden van Sefarvaim.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 17 — omringende verzen
Daarom spraken zij tot de koning van Assyrië: De volken die u heeft weggevoerd en in de steden van Samaria heeft geplaatst, kennen de wijze van de God van dat land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en zie, zij doden hen, omdat zij de wijze van de God van dat land niet kennen.
27Toen gebood de koning van Assyrië: Breng daarheen een van de priesters die u vandaar hebt weggevoerd; laat hem gaan en daar wonen, en laat hem hen onderwijzen in de wijze van de God van dat land.
28Toen kwam een van de priesters die zij uit Samaria hadden weggevoerd, en woonde in Bethel, en onderwees hen hoe zij de HEER moesten vrezen.
29Maar elke natie maakte zijn eigen goden en plaatste hen in de huizen van de offerhoogten die de Samaritanen hadden gemaakt, elke natie in de steden waar zij woonden.
30En de mannen van Babel maakten Sukkoth-Benoth, en de mannen van Kut maakten Nergal, en de mannen van Hamath maakten Asima,
En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvaieten verbrandden hun kinderen in het vuur voor Adrammelech en Anammelech, de goden van Sefarvaim.
Zo vreesden zij de HEER, en maakten voor zichzelf priesters van de geringsten onder hen voor de offerhoogten, die voor hen offerden in de huizen der offerhoogten.
33Zij vreesden de HEER, en dienden hun eigen goden, naar de wijze der volken van waar zij waren weggevoerd.
34Tot op deze dag doen zij naar de vroegere gewoonten: zij vrezen de HEER niet, en handelen niet naar Zijn inzettingen, of naar Zijn verordeningen, of naar de wet en het gebod dat de HEER de kinderen van Jakob gebood, die Hij Israël noemde;
35Met wie de HEER een verbond had gesloten, en hen geboden had, zeggende: Gij zult andere goden niet vrezen, noch u voor hen buigen, noch hen dienen, noch hun offeren:
36Maar de HEER, die u uit het land Egypte heeft opgevoerd met grote kracht en een uitgestrekte arm, Hem zult gij vrezen, en Hem zult gij aanbidden, en Hem zult gij offers brengen.