2 Koningen 19:25
“Hebt gij niet van ouds gehoord hoe ik dit gedaan heb, en van de vroegste tijden dat ik het gevormd heb? Nu heb ik het ten uitvoer gebracht, opdat gij versterkte steden zoudt verwoesten tot puinhopen.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 19 — omringende verzen
Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia en zeide: Zo zegt de HEER, de God van Israël: Hetgeen gij tot Mij gebeden hebt aangaande Sanherib, de koning van Assyrië, heb Ik gehoord.
21Dit is het woord dat de HEER over hem gesproken heeft: De maagd, de dochter van Sion, veracht u en bespot u; de dochter van Jeruzalem schudt haar hoofd achter u.
22Wie hebt gij gehoond en gelasterd, en tegen wie hebt gij uw stem verheven en uw ogen omhooggeslagen? Tegen de Heilige Israëls.
23Door uw boden hebt gij de HEER gehoond en gezegd: Met de menigte van mijn wagens ben ik opgeklommen naar de hoogte van de bergen, naar de uithoeken van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen vellen en zijn uitgelezen dennenbomen; en ik zal doordringen tot zijn verste grenzen en zijn dichtbeboste Karmel.
24Ik heb gegraven en vreemd water gedronken, en met de zolen van mijn voeten heb ik alle rivieren van de belegerde plaatsen drooggelegd.
Hebt gij niet van ouds gehoord hoe ik dit gedaan heb, en van de vroegste tijden dat ik het gevormd heb? Nu heb ik het ten uitvoer gebracht, opdat gij versterkte steden zoudt verwoesten tot puinhopen.
Daarom waren hun inwoners van geringe kracht, zij waren verschrikt en beschaamd; zij waren als het gras des velds en als de groene kruid, als het gras op de daken en als koren dat verdord is voordat het opgeschoten is.
27Maar Ik ken uw verblijf, en uw uitgaan en uw ingaan, en uw woede tegen Mij.
28Omdat uw woede tegen Mij en uw getier tot Mijn oren is opgeklommen, zal Ik Mijn haak in uw neus slaan en Mijn toom tussen uw lippen leggen, en Ik zal u terugdoen keren langs de weg waarlangs gij gekomen zijt.
29En dit zal u het teken zijn: gij zult dit jaar eten wat vanzelf opkomt, en in het tweede jaar wat uit hetzelfde voortkwam; maar in het derde jaar, zaai en maai, plant wijngaarden en eet de vrucht daarvan.
30En het overblijfsel van het huis van Juda dat ontkomen is, zal wederom wortel schieten naar beneden en vrucht dragen naar boven.