2 Koningen 19:28
“Omdat uw woede tegen Mij en uw getier tot Mijn oren is opgeklommen, zal Ik Mijn haak in uw neus slaan en Mijn toom tussen uw lippen leggen, en Ik zal u terugdoen keren langs de weg waarlangs gij gekomen zijt.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 19 — omringende verzen
Door uw boden hebt gij de HEER gehoond en gezegd: Met de menigte van mijn wagens ben ik opgeklommen naar de hoogte van de bergen, naar de uithoeken van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen vellen en zijn uitgelezen dennenbomen; en ik zal doordringen tot zijn verste grenzen en zijn dichtbeboste Karmel.
24Ik heb gegraven en vreemd water gedronken, en met de zolen van mijn voeten heb ik alle rivieren van de belegerde plaatsen drooggelegd.
25Hebt gij niet van ouds gehoord hoe ik dit gedaan heb, en van de vroegste tijden dat ik het gevormd heb? Nu heb ik het ten uitvoer gebracht, opdat gij versterkte steden zoudt verwoesten tot puinhopen.
26Daarom waren hun inwoners van geringe kracht, zij waren verschrikt en beschaamd; zij waren als het gras des velds en als de groene kruid, als het gras op de daken en als koren dat verdord is voordat het opgeschoten is.
27Maar Ik ken uw verblijf, en uw uitgaan en uw ingaan, en uw woede tegen Mij.
Omdat uw woede tegen Mij en uw getier tot Mijn oren is opgeklommen, zal Ik Mijn haak in uw neus slaan en Mijn toom tussen uw lippen leggen, en Ik zal u terugdoen keren langs de weg waarlangs gij gekomen zijt.
En dit zal u het teken zijn: gij zult dit jaar eten wat vanzelf opkomt, en in het tweede jaar wat uit hetzelfde voortkwam; maar in het derde jaar, zaai en maai, plant wijngaarden en eet de vrucht daarvan.
30En het overblijfsel van het huis van Juda dat ontkomen is, zal wederom wortel schieten naar beneden en vrucht dragen naar boven.
31Want uit Jeruzalem zal een overblijfsel uitgaan en een ontkoming uit de berg Sion; de ijver van de HEER der heerscharen zal dit doen.
32Daarom zegt de HEER aldus aangaande de koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch een pijl daarheen schieten, noch er voor komen met een schild, noch een wal daartegen opwerpen.
33Door de weg die hij gekomen is, langs dezelfde zal hij terugkeren, en hij zal in deze stad niet komen, zegt de HEER.