Terug naar 2 Koningen 2
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 2:7

En vijftig mannen van de zonen der profeten gingen mee en stonden op een afstand toe te zien; en zij beiden stonden bij de Jordaan.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 2 — omringende verzen

2

En Elia zei tot Elisa: Blijf hier toch, want de HEER heeft mij naar Bethel gezonden. En Elisa zei tot hem: Zo waarlijk als de HEER leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij af naar Bethel.

3

En de zonen der profeten die in Bethel waren, gingen naar buiten tot Elisa en zeiden tot hem: Weet gij dat de HEER heden uw meester boven uw hoofd zal wegnemen? En hij zei: Ja, ik weet het; zwijgt stil.

4

En Elia zei tot hem: Elisa, blijf hier toch, want de HEER heeft mij naar Jericho gezonden. En hij zei: Zo waarlijk als de HEER leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Zo kwamen zij te Jericho.

5

En de zonen der profeten die te Jericho waren, kwamen tot Elisa en zeiden tot hem: Weet gij dat de HEER heden uw meester boven uw hoofd zal wegnemen? En hij antwoordde: Ja, ik weet het; zwijgt stil.

6

En Elia zei tot hem: Blijf hier toch, want de HEER heeft mij naar de Jordaan gezonden. En hij zei: Zo waarlijk als de HEER leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij beiden verder.

7

En vijftig mannen van de zonen der profeten gingen mee en stonden op een afstand toe te zien; en zij beiden stonden bij de Jordaan.

8

En Elia nam zijn mantel en rolde hem op en sloeg op het water, en het werd ter rechter- en ter linkerzijde gespleten, zodat zij beiden op het droge overgingen.

9

En het geschiedde, nadat zij overgestoken waren, dat Elia tot Elisa zei: Vraag wat ik voor u doen zal, voordat ik van u weggenomen word. En Elisa zei: Laat toch een dubbel deel van uw geest op mij zijn.

10

En hij zei: Gij hebt een moeilijke zaak gevraagd; toch, indien gij mij ziet wanneer ik van u weggenomen word, dan zal het u zo zijn; maar indien niet, dan zal het niet zo zijn.

11

En het geschiedde, terwijl zij nog voortgingen en met elkander spraken, dat er zie, een vurige wagen verscheen met vurige paarden, die hen beiden van elkander scheidden; en Elia voer op in een storm naar de hemel.

12

En Elisa zag het en riep: Mijn vader, mijn vader! De wagen van Israël en zijn ruiters! En hij zag hem niet meer; en hij greep zijn eigen klederen en scheurde ze in twee stukken.