Terug naar 2 Koningen 23
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 23:17

Toen zei hij: Wat is dat voor een gedenkteken dat ik zie? En de mannen van de stad zeiden hem: Het is het graf van de man Gods, die uit Juda gekomen is en deze dingen heeft uitgeroepen die u tegen het altaar van Bethel gedaan hebt.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 23 — omringende verzen

12

En de altaren die op het dak van de bovenkamer van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, en de altaren die Manasse in de twee voorhoven van het huis van de HEER gemaakt had, sloeg de koning stuk en verbrijzelde ze, en wierp het stof ervan in de beek Kidron.

13

En de hoogten die voor Jeruzalem lagen, aan de rechterhand van de berg der verderving, die Salomo, de koning van Israël, gebouwd had voor Astarte, de gruwel der Sidoniërs, en voor Kamos, de gruwel der Moabieten, en voor Milkom, de gruwel van de kinderen van Ammon, verontreinigde de koning.

14

En hij verbrak de beelden in stukken, en hieuw de gewijde palen om, en vulde hun plaatsen met mensenbeenderen.

15

Bovendien verbrak hij het altaar te Bethel, en de hoogte die Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, gemaakt had, zowel dat altaar als die hoogte; hij brak die hoogte af en verbrandde haar, en vermaalde haar tot stof, en verbrandde het woud.

16

En toen Josia zich omkeerde, zag hij de graven die daar op de berg waren; en hij zond en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op het altaar en verontreinigde het, overeenkomstig het woord van de HEER dat de man Gods uitgeroepen had, die deze dingen had uitgeroepen.

17

Toen zei hij: Wat is dat voor een gedenkteken dat ik zie? En de mannen van de stad zeiden hem: Het is het graf van de man Gods, die uit Juda gekomen is en deze dingen heeft uitgeroepen die u tegen het altaar van Bethel gedaan hebt.

18

En hij zei: Laat hem met rust; laat niemand zijn beenderen aanroeren. Zo lieten zij zijn beenderen met rust, met de beenderen van de profeet die uit Samaria was gekomen.

19

Verder deed Josia ook met alle tempels van de hoogten die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israël gemaakt hadden om de Heer tot toorn te verwekken, overeenkomstig al wat hij in Bethel gedaan had.

20

En hij slachtte alle priesters van de hoogten die daar waren op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen op hen; en hij keerde terug naar Jeruzalem.

21

En de koning gebood al het volk: Houdt het Pascha voor de HEER, uw God, zoals het geschreven staat in het boek van dit verbond.

22

Want er was geen Pascha zoals dit gehouden, van de dagen van de richters die Israël richtten, noch in al de dagen van de koningen van Israël, noch van de koningen van Juda;