Terug naar 2 Koningen 25
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 25:9

En hij verbrandde het huis van de HEER, en het huis des koningen, en alle huizen van Jeruzalem; ja, elk groot huis verbrandde hij met vuur.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 25 — omringende verzen

4

En de stad werd doorgebroken, en alle strijdbare mannen vluchtten 's nachts langs de weg van de poort tussen de twee muren, die naast de koningshof ligt — de Chaldeeën nu lagen rondom de stad — en de koning trok de weg naar de vlakte.

5

En het leger der Chaldeeën zette de achtervolging in op de koning en haalde hem in op de vlakten van Jericho; en zijn gehele leger werd van hem verstrooid.

6

Zo namen zij de koning gevangen en brachten hem op naar de koning van Babel, naar Ribla; en men velde een vonnis over hem.

7

En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en staken de ogen van Zedekia uit, en bonden hem met bronzen ketenen, en voerden hem naar Babel.

8

En in de vijfde maand, op de zevende dag van de maand — dat was het negentiende jaar van koning Nebukadnezar, de koning van Babel — kwam Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, een dienaar van de koning van Babel, naar Jeruzalem.

9

En hij verbrandde het huis van de HEER, en het huis des koningen, en alle huizen van Jeruzalem; ja, elk groot huis verbrandde hij met vuur.

10

En het gehele leger der Chaldeeën dat bij de overste der lijfwacht was, brak de muren van Jeruzalem rondom af.

11

Het overige nu van het volk dat in de stad was overgebleven, en de overlopers die naar de koning van Babel waren overgelopen, met de rest van de menigte, die voerde Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, in ballingschap.

12

Maar de overste der lijfwacht liet enigen van de armsten van het land achter als wijngaardeniers en akkerbouwers.

13

En de koperen pilaren die in het huis van de HEER waren, en de voetstukken, en de koperen zee die in het huis van de HEER was, die braken de Chaldeeën stuk, en zij voerden het koper ervan naar Babel.

14

En de potten, en de schoppen, en de snuiters, en de lepels, en alle koperen voorwerpen waarmee men diende, namen zij weg.