Terug naar 2 Koningen 4
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 4:28

Toen zei zij: Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Heb ik niet gezegd: Bedrieg mij niet?

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 4 — omringende verzen

23

En hij zei: Waarom gaat gij heden naar hem toe? Het is geen nieuwe maan, en het is geen sabbat. En zij zei: Het zal goed zijn.

24

Toen zadelde zij een ezel en zei tot haar knecht: Drijf aan en ga verder; houd de rit voor mij niet in, tenzij ik het u zeg.

25

Zo ging zij en kwam tot de man Gods op de berg Karmel. En het geschiedde, toen de man Gods haar van verre zag, dat hij tot Gehazi, zijn knecht, zei: Zie, ginds is die Sunammitische;

26

Loop haar nu toch tegemoet, en zeg tot haar: Gaat het goed met u? Gaat het goed met uw man? Gaat het goed met het kind? En zij antwoordde: Het gaat goed.

27

En toen zij tot de man Gods op de berg gekomen was, greep zij hem bij de voeten; maar Gehazi trad naderbij om haar weg te duwen. En de man Gods zei: Laat haar begaan; want haar ziel is in bitterheid, en de HEER heeft het voor mij verborgen en het mij niet meegedeeld.

28

Toen zei zij: Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Heb ik niet gezegd: Bedrieg mij niet?

29

Toen zei hij tot Gehazi: Gord uw lendenen en neem mijn staf in uw hand en ga uw weg; indien gij iemand ontmoet, groet hem niet; en indien iemand u groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het gezicht van het kind.

30

En de moeder van het kind zei: Zowaar de HEER leeft en zowaar uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. En hij stond op en volgde haar.

31

En Gehazi ging voor hen uit en legde de staf op het gezicht van het kind; maar er was geen stem, noch gehoor. Waarom ging hij hem tegemoet en deelde het hem mee, zeggende: Het kind is niet wakker geworden.

32

En toen Elisa in het huis gekomen was, zie, het kind was dood en lag op zijn bed.

33

Hij ging dan naar binnen en sloot de deur achter hen beiden en bad tot de HEER.