Terug naar 2 Koningen 4
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 4:27

En toen zij tot de man Gods op de berg gekomen was, greep zij hem bij de voeten; maar Gehazi trad naderbij om haar weg te duwen. En de man Gods zei: Laat haar begaan; want haar ziel is in bitterheid, en de HEER heeft het voor mij verborgen en het mij niet meegedeeld.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 4 — omringende verzen

22

En zij riep haar man en zei: Zend mij toch een van de jonge mannen en een der ezels, opdat ik naar de man Gods ren en terugkeer.

23

En hij zei: Waarom gaat gij heden naar hem toe? Het is geen nieuwe maan, en het is geen sabbat. En zij zei: Het zal goed zijn.

24

Toen zadelde zij een ezel en zei tot haar knecht: Drijf aan en ga verder; houd de rit voor mij niet in, tenzij ik het u zeg.

25

Zo ging zij en kwam tot de man Gods op de berg Karmel. En het geschiedde, toen de man Gods haar van verre zag, dat hij tot Gehazi, zijn knecht, zei: Zie, ginds is die Sunammitische;

26

Loop haar nu toch tegemoet, en zeg tot haar: Gaat het goed met u? Gaat het goed met uw man? Gaat het goed met het kind? En zij antwoordde: Het gaat goed.

27

En toen zij tot de man Gods op de berg gekomen was, greep zij hem bij de voeten; maar Gehazi trad naderbij om haar weg te duwen. En de man Gods zei: Laat haar begaan; want haar ziel is in bitterheid, en de HEER heeft het voor mij verborgen en het mij niet meegedeeld.

28

Toen zei zij: Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Heb ik niet gezegd: Bedrieg mij niet?

29

Toen zei hij tot Gehazi: Gord uw lendenen en neem mijn staf in uw hand en ga uw weg; indien gij iemand ontmoet, groet hem niet; en indien iemand u groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het gezicht van het kind.

30

En de moeder van het kind zei: Zowaar de HEER leeft en zowaar uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. En hij stond op en volgde haar.

31

En Gehazi ging voor hen uit en legde de staf op het gezicht van het kind; maar er was geen stem, noch gehoor. Waarom ging hij hem tegemoet en deelde het hem mee, zeggende: Het kind is niet wakker geworden.

32

En toen Elisa in het huis gekomen was, zie, het kind was dood en lag op zijn bed.