Terug naar 2 Koningen 7
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 7:6

Want de HEER had het leger der Syriërs een geluid van wagens en een geluid van paarden doen horen, het geluid van een grote heerschare; en zij zeiden de een tot de ander: Zie, de koning van Israël heeft tegen ons gehuurd de koningen der Hethieten en de koningen der Egyptenaren, om tegen ons op te trekken.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 7 — omringende verzen

1

Toen zeide Elisa: Hoort het woord van de HEER; zo zegt de HEER: Morgen omstreeks deze tijd zal een maat fijn meel voor een sikkel verkocht worden en twee maten gerst voor een sikkel, in de poort van Samaria.

2

Toen antwoordde een edelman, op wiens hand de koning leunde, de man Gods en zeide: Zie, al maakte de HEER vensters in de hemel, zou dit ding kunnen geschieden? En hij zeide: Zie, gij zult het met uw ogen aanschouwen, maar daarvan niet eten.

3

En er waren vier melaatse mannen aan de ingang van de poort; en zij zeiden de een tot de ander: Waarom zitten wij hier totdat wij sterven?

4

Indien wij zeggen: Wij zullen de stad ingaan — dan is de honger in de stad en wij zullen daar sterven; en indien wij hier blijven zitten, sterven wij ook. Komt dan nu, laat ons tot het leger der Syriërs vallen; indien zij ons in het leven laten, zullen wij leven; en indien zij ons doden, dan sterven wij slechts.

5

En zij stonden op in de schemering om naar het leger der Syriërs te gaan; en toen zij aan het uiteinde van het leger van Syrië gekomen waren, zie, daar was niemand.

6

Want de HEER had het leger der Syriërs een geluid van wagens en een geluid van paarden doen horen, het geluid van een grote heerschare; en zij zeiden de een tot de ander: Zie, de koning van Israël heeft tegen ons gehuurd de koningen der Hethieten en de koningen der Egyptenaren, om tegen ons op te trekken.

7

Daarom stonden zij op en vluchtten in de schemering, en lieten hun tenten achter, en hun paarden, en hun ezels, ja het hele kamp zoals het was, en vluchtten om hun leven te redden.

8

En toen deze melaatsen aan de uiterste rand van het kamp kwamen, gingen zij een tent binnen, en aten en dronken, en droegen van daar zilver, en goud, en kleding weg, en gingen het verbergen; en kwamen terug, en gingen een andere tent binnen, en droegen ook van daar weg, en gingen het verbergen.

9

Toen zeiden zij de een tot de ander: Wij doen niet goed; deze dag is een dag van goede tijding, en wij zwijgen. Als wij wachten tot het morgenlicht, zal er onheil over ons komen; kom nu dan, laat ons gaan en het aan het huis van de koning meedelen.

10

Zo kwamen zij en riepen de poortwachter van de stad; en zij zeiden hun: Wij zijn naar het kamp van de Syriërs gegaan, en zie, er was niemand, geen mensengeluid, maar paarden vastgebonden, en ezels vastgebonden, en de tenten zoals zij waren.

11

En hij riep de poortwachters, en zij meldden het aan het huis van de koning binnenin.