2 Korintiërs 6:14
“Trekt niet op aan een ongelijk juk met ongelovigen; want wat maakt gerechtigheid gemeen met ongerechtigheid? En wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?”
Kruisverwijzingen
Context
2 Korintiërs 6 — omringende verzen
Als onbekenden, en nochtans bekend; als stervenden, en zie, wij leven; als getuchtigd, en niet gedood,
10Als bedroefd, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en nochtans alles bezittende.
11O gij Korinthiërs, onze mond is open tot u, ons hart is verwijd.
12Gij wordt niet beperkt in ons, maar gij wordt beperkt in uw eigen ingewanden.
13Maar tot wedervergelding van hetzelfde, ik spreek als tot kinderen, wordt gij ook verwijd.
Trekt niet op aan een ongelijk juk met ongelovigen; want wat maakt gerechtigheid gemeen met ongerechtigheid? En wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?
En wat overstemming heeft Christus met Belial? Of wat deel heeft een gelovige met een ongelovige?
16En wat overeenkomst heeft de tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt de tempel van de levende God, gelijk God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen en onder hen wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.
17Daarom gaat uit het midden van hen en scheidt u af, zegt de Heer, en raakt het onreine niet aan, en Ik zal u aannemen.
18En Ik zal u tot een Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heer, de Almachtige.