2 Korintiërs 7:11
“Want zie, juist dit zelfde, dat gij op een godvruchtige wijze bedroefd waart, hoeveel ernst heeft het in u gewrocht, ja, hoeveel verantwoording, ja, hoeveel verontwaardiging, ja, hoeveel vrees, ja, hoeveel vurig verlangen, ja, hoeveel ijver, ja, hoeveel gerechtigheid! In alles hebt gij bewezen rein te zijn in deze zaak.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Korintiërs 7 — omringende verzen
Maar God, die de nedergeslagenen vertroost, heeft ons vertroost door de komst van Titus;
7En niet alleen door zijn komst, maar ook door de vertroosting waarmee hij door u vertroost was, toen hij ons vertelde van uw vurig verlangen, uw droefheid, uw ijver voor mij; zodat ik mij des te meer verblijdde.
8Want hoewel ik u bedroefd heb met een brief, berouw het mij niet, al berouwde het mij ook: want ik zie dat diezelfde brief u bedroefd heeft, al was het maar voor een tijd.
9Nu verblijd ik mij, niet dat gij bedroefd zijt geweest, maar dat uw droefheid tot bekering heeft geleid; want gij zijt bedroefd geweest op een godvruchtige wijze, zodat gij door ons in niets schade geleden hebt.
10Want de droefheid naar Gods wil werkt een bekering tot zaligheid, die niemand berouwt; maar de droefheid der wereld werkt de dood.
Want zie, juist dit zelfde, dat gij op een godvruchtige wijze bedroefd waart, hoeveel ernst heeft het in u gewrocht, ja, hoeveel verantwoording, ja, hoeveel verontwaardiging, ja, hoeveel vrees, ja, hoeveel vurig verlangen, ja, hoeveel ijver, ja, hoeveel gerechtigheid! In alles hebt gij bewezen rein te zijn in deze zaak.
Daarom, al heb ik u geschreven, het was niet om wille van hem die onrecht gedaan had, noch om wille van hem die onrecht geleden had, maar opdat uw ijver voor ons in het aangezicht van God aan u openbaar zou worden.
13Daarom zijn wij door uw troost getroost; en wij hebben ons des te meer verblijd over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest door u allen verkwikt is.
14Want als ik hem iets over u geroemd heb, word ik niet beschaamd; maar zoals wij alles in waarheid tot u gesproken hebben, zo is ook onze roem, die ik voor Titus gedaan heb, waarheid gebleken.
15En zijn genegenheid voor u is des te overvloediger, wanneer hij de gehoorzaamheid van u allen herdenkt, hoe gij hem met vrees en beven ontvangen hebt.
16Ik verblijd mij dan dat ik in alles op u kan vertrouwen.