2 Kronieken 14:11
“En Asa riep tot de HEER zijn God en zei: HEER, het is voor U niet moeilijk te helpen, hetzij met velen of met hen die geen kracht hebben; help ons, o HEER onze God; want op U steunen wij, en in Uw naam trekken wij op tegen deze menigte. O HEER, Gij zijt onze God; laat geen sterveling het tegen U opnemen.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 14 — omringende verzen
En hij bouwde versterkte steden in Juda; want het land had rust, en hij had geen oorlog in die jaren, omdat de HEER hem rust had gegeven.
7Daarom zei hij tot Juda: Laat ons deze steden bouwen en muren, torens, poorten en grendels er omheen maken, zolang het land nog voor ons is; want wij hebben de HEER onze God gezocht, wij hebben Hem gezocht en Hij heeft ons aan alle zijden rust gegeven. Zo bouwden zij en hadden voorspoed.
8En Asa had een leger van mannen die schilden en speren droegen, uit Juda driehonderdduizend; en uit Benjamin, die schilden droegen en bogen spanden, tweehonderdtachtigduizend; allen waren dappere helden.
9En er trok tegen hen uit Zerah, de Ethiopiër, met een leger van een miljoen man en driehonderd strijdwagens, en hij kwam tot Maresa.
10Toen trok Asa tegen hem uit, en zij stelden de strijd op in het dal van Zefata bij Maresa.
En Asa riep tot de HEER zijn God en zei: HEER, het is voor U niet moeilijk te helpen, hetzij met velen of met hen die geen kracht hebben; help ons, o HEER onze God; want op U steunen wij, en in Uw naam trekken wij op tegen deze menigte. O HEER, Gij zijt onze God; laat geen sterveling het tegen U opnemen.
Zo sloeg de HEER de Ethiopiërs voor Asa en voor Juda; en de Ethiopiërs vluchtten.
13En Asa en het volk dat bij hem was achtervolgden hen tot Gerar; en de Ethiopiërs werden neergeveld, zodat zij zich niet konden herstellen; want zij werden vernietigd voor de HEER en voor Zijn leger; en men voerde zeer veel buit mee.
14En zij versloegen alle steden rondom Gerar; want de vreze des HEREN was over hen gekomen; en zij plunderden al de steden, want er was buitengewoon veel buit in hen.
15Ook sloegen zij de tenten der veehoeders en voerden schapen en kamelen in overvloed mee, en keerden terug naar Jeruzalem.