Terug naar 2 Kronieken 18
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 18:12

En de bode die gegaan was om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie, de woorden van de profeten zijn eensgezind gunstig voor de koning; laat uw woord dan toch zijn als dat van een van hen, en spreek iets goeds.

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 18 — omringende verzen

7

En de koning van Israël zeide tot Josafat: Er is nog één man door wie wij de HEER kunnen vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert nooit iets goeds over mij, maar altijd kwaad: het is Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zeide: Laat de koning dat niet zeggen.

8

En de koning van Israël riep een van zijn dienaren en zeide: Breng spoedig Micha, de zoon van Jimla, hier.

9

En de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, gekleed in hun koninklijke gewaden; en zij zaten op een open plek bij de ingang van de poort van Samaria; en al de profeten profeteerden voor hen.

10

En Zedekia, de zoon van Kenaäna, had zich ijzeren hoorns gemaakt en zeide: Zo zegt de HEER: Hiermee zult gij de Syriërs stoten totdat zij vernietigd zijn.

11

En al de profeten profeteerden aldus, zeggende: Trek op naar Ramoth-Gilead en slaag; want de HEER zal het in de hand van de koning geven.

12

En de bode die gegaan was om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie, de woorden van de profeten zijn eensgezind gunstig voor de koning; laat uw woord dan toch zijn als dat van een van hen, en spreek iets goeds.

13

En Micha zei: Zo waarlijk als de HEER leeft, wat mijn God zegt, dat zal ik spreken.

14

En toen hij bij de koning gekomen was, zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth-Gilead optrekken ten strijde, of zal ik het nalaten? En hij zei: Trekt op, en gij zult voorspoedig zijn, en zij zullen in uw hand worden overgegeven.

15

En de koning zei tot hem: Hoe dikwijls moet ik u bezweren, dat gij mij niets dan de waarheid zegt in de naam van de HEER?

16

Toen zei hij: Ik zag geheel Israël verstrooid op de bergen, als schapen die geen herder hebben; en de HEER zei: Dezen hebben geen meester; laat hen dan een ieder in vrede naar zijn huis terugkeren.

17

En de koning van Israël zei tot Jehoshafat: Heb ik u niet gezegd, dat hij over mij niets goeds profeteren zou, maar slechts kwaad?